Dutch Courses » Advanced Course » Other Subjects » Dutch Grammatical Terms

Dutch Grammatical Terms

The third column contains examples (in bold font) in context (in normal font).


Parts of Speech

DutchEnglishExampleEnglish translation
woordword tafeltable
zelfstandig naamwoordnoun tafeltable
lidwoordarticle de tafelthe table
bijvoeglijk naamwoordadjective groene tafelgreen table
bijwoordadverb Jij werkt snel.You work fast.
werkwoordverb Jij werkte.You worked.
voornaamwoordpronoun Hij begint.He begins.
persoonlijk voornaamwoordpersonal pronoun jij, zij, hijyou, she (or they), he
bezittelijk voornaamwoordpossessive pronoun jouw, haar, zijnyour, her, his
aanwijzend voornaamwoorddemonstrative pronoun dit, dat, deze, diethis, that, these, those
betrekkelijk voornaamwoordrelative pronoun dat, wie, watthat, who, which
vragend voornaamwoordinterrogative pronoun Wat? Welke?What? Which one?
wederkerend voornaamwoordreflexive pronoun Ik was me.I wash myself.
wederkerig voornaamwoordreciprocal pronoun We kennen elkaar.We know each other.
onbepaald voornaamwoordindefinite pronoun Er is iets gebeurd.Something happened.
voorzetselpreposition op de heuvelon the hill
voegwoordconjunction omdatbecause
nevenschikkend voegwoordcoordinating conjunction maarbut
onderschikkend voegwoordsubordinating conjunction omdatbecause
getalnumber tweeduizendtwo thousand
hoofdtelwoordcardinal number tweeduizendtwo thousand
rangtelwoordordinal number vierdefourth
tussenwerpselinterjection neeno

Verb Tenses and Conjugations

Tenses, moods, and voices are covered by Verb Tenses, while Verb Conjugation emphasizes the spelling and conjugation of (strong, weak, and irregular) verbs.

DutchEnglishExampleEnglish translation
werkwoordverb lopento walk
zwak werkwoordweak verb wachtento wait
sterk werkwoordstrong verb lopento walk
onregelmatig werkwoordirregular verb zijnto be
samengesteld werkwoordcompound verb doorlopento walk on
hulpwerkwoordauxiliary verb zijn, hebben, wordento be, to have, to become
voltooid deelwoordpast participle We hebben gewerkt.We have worked.
tegenwoordig deelwoordpresent participle glimlachendsmiling
onvoltooid tegenwoordige tijdsimple present tense Ik wachtI wait
onvoltooid verleden tijdsimple past tense Ik wachtteI waited
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect tense Ik heb gewachtI have waited
voltooid verleden tijdpast perfect tense Ik had gewachtI had waited
verleden tijdpast tense We hoordenWe heard
bedrijvende vormactive voice Ik heb gevondenI have found
lijdende vormpassive voice Ik ben gevondenI have been found
onvoltooid toekomende tijdsimple future tense Ik zal komenI will come
voltooid toekomende tijdfuture perfect tense Ik zal zijn gekomenI will have come
voorwaardelijke wijsconditional mood Ik zou wachtenI would wait
voltooid voorwaardelijke wijsconditional perfect mood Ik zou hebben gewachtI would have waited
gebiedende wijsimperative mood KomCome
conjunctiefconjunctive mood Dat moge zo zijn, maar...That might be true, but...
infinitiefinfinitive (a verb) lopenwalk
modaal werkwoordmodal verb We moeten komen.We must come.

Other

DutchEnglishExampleEnglish translation
woordsoortenparts of speech werkwoordverb
onderwerpsubjectHij is het onderwerp.He is the subject.
voorwerpobjectIk lees het boek.I read the book.
lijdend voorwerpdirect objectIk lees het boek.I read the book.
meewerkend voorwerpindirect objectGeef het aan hen.Give it to them.
zinsentenceDit is een zin.This is a sentence.
samengestelde zincompound sentenceAls je rent, ren ik ook.If you run, I will run.
bijzinsubsentenceAls je rent, ren ik ook.If you run, I will run.
spellingspelling  
leestekenspunctuation!? ( )!? ( )
vraagquestionWie? Jij.Who? You.
antwoordanswerWie? Jij.Who? You.
hoofdlettercapital letterA, B, CA, B, C
puntdot..
kommacomma,,
uitroeptekenexclamation mark!!
vraagtekenquestion mark??
letter met een tremaletter with a diaeresisėė
afkortingabbreviationz.o.z.p.t.o. (please turn over)
uitspraakpronunciation  
alfabetalphabet  
klinkervowela, e, ia, e, i
medeklinkerconsonantb, c, db, c, d
lettergreepsyllableNederlandthe Netherlands
woordenboekdictionary  
grammaticagrammar  
boekbook  


back to top