Cursus Nederlands Woordsoorten Voegwoorden

Voegwoorden

Voegwoorden kunnen twee zinnen aan elkaar koppelen.

Nevenschikkende voegwoorden

Nevenschikkende voegwoorden koppelen twee zinnen aan elkaar die gelijkwaardig zijn. Het woord neven betekent naast, en het woord schikken betekent neerzetten. De woordvolgorde verandert niet als je een nevenschikkend voegwoord gebruikt. Het is dus de gemakkelijkste manier om zinnen te koppelen. We kunnen een situatie beschrijven in twee korte zinnen, maar ook in een lange zin. Zet het voegwoord en tussen de zinnen.
Hij wil naar huis.
Hij heeft geen geld.
Hij wil naar huis en hij heeft geen geld.

We kunnen het woord en door andere nevenschikkende voegwoorden vervangen: maar, want, dus en of. Vergeet geen komma toe te voegen als dat nodig is.
Hij wil naar huis en hij heeft geen geld.
Hij wil naar huis, maar hij heeft geen geld.
Hij wil naar huis, want hij heeft geen geld.
Hij wil naar huis, dus hij heeft geen geld.
Hij wil naar huis of hij heeft geen geld.

Hieronder staan nog twee voorbeelden van het gebruik van maar. Let op de woordvolgorde, die normaal is. Dat is het kenmerk van zinnen met nevenschikkende voegwoorden.
Ik heb de moersleutel nodig.
Die is kwijt.
Ik heb de moersleutel nodig, maar die is kwijt.

Ik kom deze week.
Ik kom vandaag niet.
Ik kom deze week, maar ik kom vandaag niet.

Onderschikkende voegwoorden

Onderschikkende voegwoorden veranderen de woordvolgorde in de tweede korte zin, die wordt gebruikt om de lange zin te maken. De tweede zin is ondergeschikt aan de eerste. We noemen het een bijzin.

Het woord omdat betekent want. Gebruik want als je dat makkelijker vindt. Als je omdat gebruikt, verandert de woordvolgorde van de tweede zin die je aan de eerste koppelt. Het werkwoord heeft gaat naar de laatste plaats in de zin.
Hij wil naar huis.
Hij heeft geen geld.
Hij wil naar huis, omdat hij geen geld heeft.

Je kunt omdat vervangen door aangezien, dat ook want betekent. Aangezien wordt minder vaak gebruikt.
Hij wil naar huis, aangezien hij geen geld heeft.

Het woord hoewel wordt gebruikt om een argument te noemen dat wordt genegeerd.
We voegen de volgende zinnen samen:
Ik ga niet surfen.
Het is zondag.
Ik ga niet surfen, hoewel het zondag is.

Het woord als wordt gebruikt om een voorwaarde te noemen waaraan voldaan moet worden.
We voegen de volgende zinnen samen:
Ik ga niet surfen.
Het is windstil.
Ik ga niet surfen, als het windstil is.

Het woord tenzij is het tegenovergestelde van als. We nemen weer het vorige onderwerp als voorbeeld, maar passen de zin een beetje aan. We halen het woord niet weg om een logische uitspraak te krijgen.
Ik ga surfen, tenzij het windstil is.

behalve als is een alternatief voor tenzij.
Ik ga surfen, behalve als het windstil is.

De betekenis van toen zit dicht bij als. Het voegwoord toen wordt gebruikt als je over het verleden praat.
Ik ging naar huis toen ik honger kreeg.

In een andere paragraaf van dit hoofdstuk staat hoe je een zin met toen begint.

Het is interessant dat je hoewel niet hoeft te gebruiken. Let op de ingewikkelde woordvolgorde van een hoewel-zin.
Ik ga niet surfen, hoewel het zondag is.
Een maar-zin is eenvoudiger en betekent ongeveer hetzelfde.
Het is zondag, maar ik ga niet surfen.

Voegwoorden van tijd

Voegwoorden van tijdsbepalingen zijn onderschikkende voegwoorden.

voordat betekent: Wat in de eerste zin wordt genoemd gebeurt het eerst.
Ik ging surfen.
Ik had gegeten.
Ik ging surfen voordat ik had gegeten.
Ik ging surfen voordat ik gegeten had.

nadat betekent: Wat in de tweede zin genoemd wordt gebeurt het eerst.
Ik ging surfen nadat ik had gegeten.
Ik ging surfen nadat ik gegeten had.

Als we na gebruiken in plaats van nadat moeten we de zin aanpassen.
Ik ging surfen na het eten.

Als we het voegwoord voor gebruiken, zie je dezelfde zinsbouw.
Ik ging surfen voor het eten.

Onderschikkende voegwoorden naar voren verplaatsen

Je kunt een onderschikkend voegwoord naar het begin van de zin verplaatsen. De tweede zin (die we bijzin noemen) hoort bij dat voegwoord, dus die gaat mee naar voren. Deze woordvolgorde hebben we in dit hoofdstuk nog niet gezien. Als je zelf zinnen gaat samenstellen, hoef je het niet zo ingewikkeld te maken.

Omdat hij geen geld heeft, wil hij naar huis.
Aangezien hij geen geld heeft, wil hij naar huis.
Hoewel het zondag is, ga ik niet surfen.
Als het windstil is, ga ik niet surfen.
Als het windstil is, dan ga ik niet surfen.
Tenzij het windstil is, ga ik surfen.
Behalve als het windstil is, ga ik surfen.

Je kunt een zin beginnen met een tijdsbepaling.
Voordat ik gegeten had, ging ik surfen.
Nadat ik gegeten had, ging ik surfen.
Na het eten ging ik surfen.
Voor het eten ging ik surfen.
Toen ik honger kreeg, ging ik naar huis.

Nevenschikkende voegwoorden zijn makkelijk

Voegwoorden die de woordvolgorde niet in de war gooien zijn:
en
maar
want
dus
of

Als je twee normale zinnen aan elkaar koppelt met een nevenschikkend voegwoord, dan ontstaat een zin met een goede woordvolgorde.

Zelfs als de tweede zin (de bijzin) een vraag is, kun je zinnen vaak samenvoegen zonder de woordvolgorde te veranderen.
Hij is rijk.
Is hij intelligent?
Hij is rijk, maar is hij intelligent?

Een voorbeeld met twee vragen is:
Is hij lang?
Is hij kort?
Is hij lang of is hij kort?

De vorige zin kan op deze manier worden afgekort:
Is hij lang of kort?

Opmerking: Het woord dus kun je ook als onderschikkend voegwoord gebruiken. Soms kom je zinnen tegen als:
Zijn brommer is weg, dus is hij naar huis.
in plaats van:
Zijn brommer is weg, dus hij is naar huis.

naar boven